Quotes

“Beide partijen, […], de fiscus en de particulier, zullen zich aldus gewennen aan het stelsel der aangifte, dat zich gaandeweg inburgert, zonder geweldige afbreking met het verleden en zonder dat de ambtenaren door eene grondige en plotselinge nieuwigheid overmand worden” (Parl.St. Kamer 1918-19, nr. 320, Verslag bij het wetsontwerp dat uiteindelijk de “Wet van 29 oktober 1919 tot vestiging van cedulaire belastingen op de inkomsten en van eene bijkomende belasting op het globaal inkomen” zal worden). Over deze aangifteplicht en andere elementen uit de wet van 1919 die vandaag nog steeds in ons inkomstenbelastingenrecht voorkomen, en dus deze maand hun honderdjarige verjaardag vieren, zie Fiscoloog nr. 1630, p. 1.

De Administratie heeft zonet een circulaire uitgevaardigd met “als doel, enerzijds de bespreking van de laatste wijzigingen die door de wet van 11 februari 2019 aan de bepalingen van de moratoriuminteresten werden aangebracht, en anderzijds de verduidelijking van het nieuw systeem van moratoriuminteresten in het algemeen in het kader van de administratieve en gerechtelijke geschillen inzake inkomstenbelastingen en de daarmee gelijkgestelde belastingen” (circ. 2019/C/105). Die ‘verduidelijking’ impliceert een belangrijke wending in het administratief standpunt omtrent de vraag wanneer er sprake is van een geldige ‘ingebrekestelling’ (die sinds kort nodig is om moratoriuminteresten te kunnen verkrijgen). Zie Fiscoloog nr. 1629, p. 1, over wat deze wending precies allemaal inhoudt.

In het kader van de ‘fictief legaat’-regeling in de successierechten heeft de federale Administratie haar beslissing bijgestuurd omtrent het te leveren tegenbewijs bij een 'gesplitste aankoop' met voorafgaande schenking door de verkrijger van het vruchtgebruik aan de blote eigenaar. Nu luidt het dat “het [niet] vereist is dat de schenking gebeurde bij authentieke akte : het volstaat te bewijzen, buiten de akte van verkrijging om, dat de geldmiddelen in voorkomend geval werden geschonken (bij authentieke of onderhandse akte, bij manuele overdracht of bij indirecte schenking) vóór de verkrijging” (nieuwe versie Rep. R.J., S 9/06-07). Zie daarover Fiscoloog nr. 1628, p. 1, waar ook wordt uitgelegd dat deze verwijzing naar de ‘manuele overdracht en indirecte schenking’ op gespannen voet staat met een andere passage in de nieuwe beslissing.