Gebruykt dese mynen arbeit to uwen besten. Verspreide Geschriften Jan Ronse

(boek nr. 20 in de reeks Rechtspersonen- en Vennootschapsrecht)

JR 20

  Editor :
Jan Ronse Instituut
  Pagina's : 670
  Prijs : 180,00 EUR (incl. BTW)
  (20 % korting voor abonnees op deze reeks)
  ISBN-nummer : 978-90-6738-167-3
  Jaar van uitgave : 2009

Bekijk hier de vollledige inhoudstafel

VERSPREIDE GESCHRIFTEN JAN RONSE

‘Gebruykt dese mynen arbeit
tot uwen besten
Vaert wel,
ende bemint alle die genen
dewelke de Regtvaerdigheyt lief hebben,
ende de Regts-geleerdheyt
na haar vermogen soeken te vorderen.’

Deze uitspraak van de ‘Hollandse’ rechtsgeleerde Hugo de Groot uit de zeventiende eeuw bezigde professor Jan Ronse (1921-1988) meermaals in toespraken en bijdragen en laatst als slotzin bij zijn afscheidsspeech naar aanleiding van zijn emeritaatsviering in 1986.

Uit eerbetoon aan deze uitzonderlijke rechtsgeleerde uit de twintigste eeuw werd een gedeelte van ‘zijn arbeid’ gebundeld in de nieuwe publicatie ‘Verspreide Geschriften Jan Ronse’ naar aanleiding van het twintigjarig bestaan van het Jan Ronse Instituut voor Vennootschapsrecht van de K.U. Leuven.

Het opzet is enkel de ‘verspreide’ geschriften van Jan Ronse te hernemen voor zover die vandaag nog actualiteitswaarde hebben. Niet de boeken dus, evenmin de te sterk gedateerde bijdragen. Elke geschrift van Ronse wordt voorafgegaan door een inleidend ‘kopje’ ter situering.

Over Jan Ronse

Professor Jan Ronse was een indrukwekkende persoonlijkheid die niemand onverschillig liet. Hij was ‘een begrip’ in het Belgisch én Nederlands vennootschapsrecht, maar ook een levenskunstenaar.

De lezer krijgt de gelegenheid om in een eerste deel kennis te nemen van een aantal teksten ‘over’ Jan Ronse. Ze werden deels in memoria uitgesproken, deels gaat het om besprekingen van zijn boeken.r andere

Jan Ronse over anderen

Naast juridische aangelegenheden was hij ook sterk geïnteresseerd in politieke, culturele en ethische vraagstukken. Vandaar de opname in het boek van enkele persoonlijke stukken van Ronse ‘over anderen’. Bijzonder lezenswaard vanuit historisch perspectief is de biografie van Louis Fredericq die tijdens W.O. II kabinetschef was van Koning Leopold III.

Onderwijs, onderzoek en praktijk

Voor professor Ronse waren ‘onderwijs, onderzoek en praktijk’ één. Volgens hem was het onmogelijk het éne zonder het andere te doen, en als hij zich al exclusief met één van de drie leek bezig te houden, maakte hij nog voortdurend zijsprongen naar de andere.

In het derde deel leren we Jan Ronse kennen als de man die een warm pleidooi houdt voor het gebruik van rechtsvergelijking in de rechtspraktijk; de man ook die resoluut ijvert voor de tweetaligheid van het Belgisch rechtsleven.

Ten slotte was Ronse ook promotor en jurylid van doctorale proefschriften. Hij was gezagvol en vaderlijk. Twee van zijn voorwoorden bij proefschriften zijn opgenomen in het boek.

Algemene rechtstheorie, procesrecht en verbintenissenrecht

Voorts worden de verspreide bijdragen gebundeld die professor Ronse schreef over algemene rechtstheorie (deel IV), procesrecht (deel V) en verbintenissenrecht (deel VI).

Van Ronse wordt gezegd dat hij de meest civilistische van alle commercialisten was en de meest commercialistische van alle civilisten : hij was dus beide, en daarmee uitzonderlijk in de naoorlogse rechtscultuur. Dat hij daarnaast ook nog kaas had gegeten van het procesrecht, was onder meer te danken aan zijn advocatenpraktijk : twintig jaar vóór de wet schreef hij al over de dwangsom in het Belgisch recht. En indien hij het had over het processueel of vormelijk gebeuren én vennootschappen, dan was er één grote constante : Ronse had steeds aandacht voor de grond van de zaak. Daar was zijn motto ‘substance over form’.

Van de civilisten kreeg Ronse de voorkeur voor duidelijke concepten, wat hem ook toeliet aan algemene rechtstheorie te doen, en begrippen als conversie van nietigheden en marginale toetsing definitief op punt te stellen. Dat Ronse de lat hoog legde, blijkt ook uit zijn doorploegd wetenschappelijk artikel over rechtsvernieuwing en rechtsverfijning.

Zoals vele rechtgeaarde juristen was Ronse in het verbintenissenrecht geworteld. Zijn proefschrift ‘Schade en schadeloosstelling’ handelde over de quasi-delictuele verbintenis. Uit eerbied voor zijn passie voor dit onderwerp, is een noot opgenomen die hij enkele jaren nadien publiceerde over het schadebegrip als belangenkrenking. Aan het verbintenissenrecht als moeder van het vennootschapsrecht besteedde hij een eveneens opgenomen prachtig verhaal in het Liber Amicorum Beekhuis.

Vennootschapsrecht

Vanaf 1967 doceerde Professor Ronse vennootschapsrecht aan de K.U.Leuven. Deel VII van het boek blikt daarop terug. Vrij toevallig was hij in het vennootschapsrecht getuimeld, uit dienstbaarheid. Het begon met een erg technische bijdrage op verzoek van een Nederlands tijdschrift over de nieuwe Belgische wetgeving inzake converteerbare obligaties en obligaties met warrant.

In het vennootschapsrecht vond Ronse een pluridisciplinair onderwerp waarvoor hij kon putten uit zijn ruime verbintenisrechtelijke en rechtstheoretische bagage. Dat bleek al meteen toen hij in 1966 voor de Belgisch-Nederlandse ‘Vereniging met de lange naam’ een briljant preadvies schreef over de nietigheid van besluiten. In het Belgisch recht bestond toen nog geen enkele systematisering van dat onderwerp.

Vanaf 1968 kwamen de Europese vennootschapsrichtlijnen eraan, en Ronse liep opnieuw voor. Naar aanleiding van de Belgische implementatie van de Eerste Richtlijn ging hij uitvoerig in op de problematiek van de rechtshandelingen in naam van een vennootschap in oprichting. En over vertegenwoordiging van rechtspersonen ging hij in 1978 nog het debat aan met de Nederlandse professor Maeijer.

In 1974 schreef Ronse een bijdrage over kapitaalbescherming bij oprichting van een NV. Het betrof aspecten van de Tweede Richtlijn die nog ruim twee jaar op zich zou laten wachten.

Op het einde van de jaren ’70 woedde een hevige economische crisis. Dat resulteerde in een reeks bijdragen van Ronse over vennootschapsrechtelijke onderwerpen die daarmee verband houden. Zo hield hij eenindrukwekkende lezing over waarheid en leugen omtrent de beperkte aansprakelijkheid. Ook onderwerpen zoals de doorbraak van aansprakelijkheid en het faillissement van onechte VZW’s kregen zijn aandacht.

Het verantwoord ondernemerschap - voorloper van de corporate governance - was een steeds weerkerend thema in die jaren. Ook over dat onderwerp was Ronse een veelgevraagd spreker. Getuige daarvan is zijn toespraak voor de Vereniging van bedrijfsjuristen over de privaatrechtelijke aansprakelijkheid van de beheerders.

Zijn jeugdig enthousiasme liet Ronse nog toe het nieuwe Tijdschrift voor Rechtspersoon en Vennootschap te patroneren (1988), waar hij elke letter van nalas, en zelf twee noten in publiceerde.

Zijn allerlaatste bijdrage - tevens sluitstuk van dit boek - werd er één over misbruik van minderheidspositie voor het Liber Amicorum Maeijer.